woensdag 14 juni 2017

Taalonderwijs in de 21ste eeuw: taal in context

Over ‘21st century skills’ en het onderwijs van de toekomst wordt vooral veel geschreven en gepraat. Als je Maurice de Hond moet geloven zou het allemaal om heel belangrijke, nieuwe vaardigheden en inhouden te gaan. Anderen vinden het oude wijn in nieuwe zakken - waren die skills in de 5e eeuw voor christus niet even belangrijk als nu?
Op een studiedag van de pabo waar ik werk werden we dit jaar getrakteerd op angstaanjagende filmpjes over hoe snel de technologie zich ontwikkelt en hoe wij in het onderwijs allemaal hopeloos achterlopen. Ik bleef achter met twijfel: zit ik in een keihard rijdende trein die niet meer bijgestuurd kan worden, of heb ik juist de boot gemist en kan ik sowieso niet meer mee? Dat is gek: de 21ste eeuw is namelijk al lang begonnen! We zijn met zijn allen allang op weg, lopend of fietsend op eigen kracht, en we bepalen mee welke kant we opgaan. Dat angstgevoel is hopelijk onterecht.

Het is een mythe dat kinderen op hedendaagse basisscholen niet bezig zouden zijn met onderzoeken, samenwerken, kritisch denken en creëren, en dat ze nog altijd alleen met potloden in schriftjes schrijven (hoewel de kinderen van Silicon Valley dat juist weer heel veel schijnen te doen, lees hier). Er is op heel veel scholen toenemende aandacht voor onderzoekend leren, wetenschap en technologie, coöperatieve werkvormen, thematisch werken waarbinnen de vakgebieden samengaan. Jonge leraren zetten hun eigen ICT-skills in bij het vormgeven van lessen en mediawijsheid is op steeds meer scholen een aandachtspunt. Op veel basisscholen zijn, eindelijk, genoeg computers om kinderen zelfstandig mee te laten werken. De mogelijkheden liggen voor het grijpen. Het is de vraag wat we er mee willen doen, zoals Gert Biesta zich ook afvraagt in dit artikel: ‘We moeten kritische vragen blijven stellen over de 21e eeuwse vaardigheden, zodat we kunnen bepalen waar ze zinvol zijn en waar ze ons afhouden van waar het in het onderwijs echt om dient te gaan.’

Taalonderwijs voor de toekomst
Ik vind het interessant om na te denken over hoe 21ste eeuws taalonderwijs eruit zou kunnen zien. Moeten we ons richten op een nieuwe vorm van apart taalonderwijs of op vakintegratie? Op computational thinking, diep leren of juist op flexibiliteit? Gaat het om werken met Ipads of is dat juist het minst belangrijk? Hoe veranderen lezen en schrijven in een tijd waarin we overstroomd worden met beelden en filmpjes?
Het eindadvies Ons onderwijs 2032, dat nogal kritisch werd besproken in de Tweede Kamer, noemt het vak Nederlands een blijvend ‘kernvak’. In de algemene beschrijving van dat vak gaat het vooral om vaardigheden: lezen, spreken, luisteren en schrijven, die in samenhang met elkaar en met andere vakken aangeleerd moeten worden. Dat wordt ‘functionele taalvaardigheid’ genoemd, en als volgt gedefinieerd: ‘leerlingen worden zich bewust van het doel en het publiek van hun boodschap en weten welk communicatiemiddel en welke toonzetting daarbij horen.’ (Platform Onderwijs2032, 2016, p. 29).  Niet echt een formulering om warm van te worden. Hij zou totaal niet opvallen in de doelstellingen van een van de veelgebruikte taalmethodes, of in de bestaande lijsten met kern- en tussendoelen en referentieniveaus. Wat is er nieuw of anders aan? Hoe zal het ‘kernvak’ taal er uitzien in de schoollokalen van 2032, en hoe merken we eigenlijk of kinderen functioneel taalvaardig zijn geworden? Moeten we taalmethodes eruit gooien of kunnen die ook ‘functioneel’ ingezet worden? Voor de beantwoording van deze vragen moeten we het rapport uit en de scholen in. 

21ste eeuws leren zie je niet altijd van buitenaf
In groep 8 van een Friese dorpsschool zijn kinderen bezig met het onderwerp ‘Napoleon’. Niet meteen een inspirerend onderwerp voor elfjarigen. Onder leiding van de juf zijn ze in de ochtend op het internet op zoek gegaan naar alles wat ze maar over Napoleon kunnen vinden, en ze hebben met de hele groep enkele filmpjes bekeken. In de middag zitten ze in de kring en delen met elkaar wat ze gevonden hebben. Het werkt net als in een vertelkring over ervaringen: wat de een vertelt, steekt als een vlammetje de kennis van de ander aan.  Napoleon heeft achternamen ingevoerd, o ja en door hem rijden we nu aan de rechterkant van de weg. Maar ook de veldslagen komen langs, waarbij hij op de hoogste heuvel toekeek hoe zijn soldaten zich doodvochten. Het gaat borrelen. De kinderen maken lijstjes van wat ze nog weten. De juf bespreekt met ze hoe ze kunnen beginnen aan een tekst over Napoleon. Gewoon alleen het eerste stukje. Ze zijn het erover eens dat je eerst iets algemeens moet zeggen over de persoon van Napoleon. De kinderen proberen allemaal iets op hun blaadje, met hun aantekeningen ernaast. De volgende dag zal de juf aandacht besteden aan manieren waarop je een tekst over een belangrijk historisch persoon kunt schrijven, en daarbij samen met de kinderen kijken naar hoe zij dat in hun eerste versie geprobeerd hebben. De kinderen zijn met inzet aan het werk, en dat blijft nog een aantal dagen zo.

Tekst over Napoleon uit groep 7

Wat is hier 21ste eeuws aan? Geen spectaculaire aanpak, maar wel: hoe de juf kinderen begeleidt bij het zoeken naar informatie, het doelgericht lezen van web-teksten, het gezamenlijk bespreken daarvan en het verwerken van die informatie in een eigen tekst, en daarbij steeds met hen in gesprek is. Hoe de kinderen voortdurend geactiveerd worden om zelfstandig stappen te zetten. Hoe zij samen kennis verwerven en verwerken, en die niet over zich uitgestort krijgen in een frontale geschiedenisles of uitsluitend via vragen bij een tekst in het geschiedenisboek. ‘Wat je ziet doet er minder toe dan je denkt,’ schrijft Kris van den Branden in zijn boek ‘Onderwijs voor de 21ste eeuw’ (2015, p. 71). ‘Het gaat vooral om wat je niet ziet. Het gaat om wat zich in de hoofden van de leerlingen afspeelt. Het gaat om de energie-voor-leren die bij elke leerling wordt opgewekt en de mate waarin er zich in het brein van elke leerling mentale activiteit ontwikkelt die leidt tot een succesvolle leerervaring.’

Taal in context
Energie en mentale activiteit, elke leerkracht weet hoe dat voelt in een groep kinderen of bij een individueel kind. En ook hoe het voelt als het er niet is, en je moet sleuren en trekken om kinderen aan een taak te krijgen. Een sleutel is: taalactiviteiten niet isoleren van hun nut, betekenis of bedoeling. Niet te veel: hoe moet je dit doen, en meer: waarom doen we dit nu en wat is een slimme manier. Samenhang is cruciaal: van taal met interessante (zaakvak)onderwerpen, van taalgebruik met levensechte situaties, van lezen met schrijven en met praten.
Het gaat om samen actief denken over thema’s, vragen en teksten. In goed, eigentijds taalonderwijs zouden teksten en gesprekken, in de sociale context waarin ze een rol spelen, centraal moeten staan. Die context is cruciaal. Hij bepaalt waar een tekst of gesprek over gaat, en op welke manier er gesproken, gelezen of geschreven wordt. Hoe schrijf je voor een website of voor ouders, hoe combineer je plaatjes en tekst in een handleiding, hoe praat je met een wethouder, welke termen gebruik je bij een zaakvak en hoe lees je een nieuwssite of een gedicht? In een toekomst waarin flexibiliteit centraal staat, betekent taalvaardigheid dat je je in uiteenlopende contexten met taal kunt redden. En daarop zou het taalonderwijs gericht moeten zijn.

Weg met de vakjes in het taalonderwijs
Kinderen snappen heel veel van contexten: ze leren voortdurend door ervaring dat je in verschillende situaties andere taal gebruikt. Tegen je moeder praat je op een andere manier om iets gedaan te krijgen dan tegen de buurman of de directeur van de school. Tweetalige kinderen praten in de ene taal met hun moeder en de andere met hun vader.
Maar ook de context van de taallessen op school kennen ze uit ervaring: goed spellen doe je in de spellingsles, leesstrategieën pas je toe in de begrijpend leesles, vertellen over je boek doe je in de boekenkring. Hmm… is dat wel de bedoeling? Verkokerd taalonderwijs, zoals je dat tegenkomt in taalmethodes, leert kinderen dat taal een apart vak is en bestaat uit losse gebiedjes met elk hun eigen eisen. Dat kan ertoe leiden dat kinderen een tien voor spelling hebben maar hun eigen teksten wemelen van de spelfouten, of dat ze alleen over boeken praten als ze aan de beurt zijn met hun boekverslag. In 21steeeuws taalonderwijs dat gericht is op functionele taalvaardigheid zou dat effect moeten verdwijnen. Daar moet het gaan om toepassing, bewuste toepassing van wat je leert, en ook: leren door middel van toepassing. Schrijven is hierbij in mijn ogen een kernactiviteit.

Tekst over de waterkringloop uit groep 6
Begin bij schrijven
Hoe mooi zou het zijn als leraren leren om schrijfdoelen, taalkennisdoelen en vakkennisdoelen met elkaar te combineren in les-units over een zaakvakonderwerp, zoals in het voorbeeld hierboven over Napoleon. Dat zou werken als een vliegwiel: de verschillende wieltjes brengen samen een grotere beweging op gang, in de richting van beheersing van schooltaal en tegelijk van kennis over het onderwerp. Goed schrijfonderwijs kan zo een startpunt zijn voor het realiseren van functioneel, eigentijds taalonderwijs.
Begin er gewoon mee. Eerst met taalrondes en tekstbesprekingen binnen een thema, vervolgens met een variatie aan motiverende schrijftaken waarbij kinderen de kennis die ze over een onderwerp hebben opgedaan verwerken en verdiepen. Altijd met de inhoud centraal en een goede begeleiding op de vorm. Schrijven verandert dan van een moeilijk extra taaldomein waar steeds geen tijd voor is, in een kernactiviteit die je overal nodig hebt. En het is nog heel erg leuk ook. Ik kom in een later blog terug op hoe lezen en schrijven op deze manier vanzelfsprekend met elkaar gaan samenhangen.